
In deze nieuwsrubriek is box 3 vaker aan de orde gekomen. Ter herinnering: box 3 behelst de zgn. “vermogensrendementsheffing” in de Inkomsten- belasting.
Vaak aangeduid als “vermogensbelasting”, maar dat is incorrect. Het vermogen is hierbij weliswaar het uitgangspunt, maar het rendement (inkomen) wordt uiteindelijk belast.
Vóór 2001 betaalde men inkomstenbelasting over de ontvangen rente en dividend; koerswinsten bleven buiten schot.
Daarnaast was er nog de (echte) Vermogensbelasting van eerst 0,8 % en later 0,7 % van het vermogen boven een vrijstelling van zo’n € 90.000 voor ongehuwden en € 113.000 voor partners.
Het feit, dat koerswinsten buiten beschouwing bleven, leidde er toe, dat er veel nieuwe financiële producten kwamen.
Die keerden geen dividend of rente uit, maar potten alles op. Naarmate er meer geld in zo’n pot zit stijgt de waarde van het product. Onbelast.
Vandaar box 3: er werd m.i.v. 2001 uitgegaan van een rendement van 4 %, dat iedereen zou moeten kunnen halen. Daarover werd 30 % belasting betaald. Per saldo dus 1,2 % over het vermogen. In het begin was die 4 % ongeveer gelijk aan de risicoloze rente, die een spaarrekening opbracht.
Als gevolg van diverse crises daalde de rente echter flink. Vanaf 2013 was het alleen met veel moeite mogelijk iets meer dan 1 % rente te halen uit je spaargeld. Als je dan toch 1,2 % moet betalen komt dat neer op onteigening.
Vele rechtszaken volgden en m.i.v. 2017 kwam de Belastingdienst met een splitsing van vermogenscategoriën: enerzijds sparen en anderzijds beleggen. Men ging er vanuit, dat naarmate iemand meer vermogen had hij of zij ook wel meer zou gaan beleggen. De werkelijkheid deed niet ter zake.
Nog meer rechtszaken waren het gevolg en uiteindelijk heeft de Hoge Raad een streep gehaald door de systematiek vanaf 2017. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad later, dat hoogstens het werkelijke rendmeent belast mocht worden.
De hele hersteloperatie, die dit tot gevolg heeft gehad, loopt momenteel nog steeds. In de tussentijd zit Den Haag met een groot budgettair probleem. Er komt door de uitspraken van de Hoge Raad nu minder belasting binnen en over de afgelopen jaren moet de staat flink wat terugbetalen. Een teruggave van totaal € 10 miljard is zeker mogelijk.
Nu ligt het plan voor om vanaf 2028 de werkelijke rendementen te belasten. Voor de gemiddelde spaarder geen probleem. Maar als u belegt of onroerend goed verhuurt, wordt het een aardige rekenklus. De Raad van State heeft er al voor gewaarschuwd, dat dit voor veel belastingplichtigen te moeilijk zal blijken.
Kon het nou echt niet anders? Natuurlijk wel. Allereerst had het voor de hand gelegen, dat die 4 %, waar box 3 mee begon, aangepast was aan de realiteit. Dan was het nog steeds een schatting van het rendement, maar het verschil met het werkelijke rendement was veel kleiner geweest.
Stel voor de verschillende vermogenscategorieën (spaargeld, beleggingen en onroerend goed) aparte, maar reële forfaitaire rendementen vast. Introduceer daarnaast de mogelijkheid om aan te tonen, dat het werkelijke rendement lager was, zodat werkelijke rendement als uitgangspunt kan dienen. Dan hoeft alleen degene, die denkt te veel te betalen, aan de bel te trekken.
De belastingopbrengst zal misschien iets lager liggen, maar voor excessieve vermogens (van bijv. meer dan € 5 miljoen) blijft de herintroductie van de Vermogensbelasting een optie. De echte Vermogensbelasting dus.
Wilt u meer weten? Neem dan contact op met R&S Consult. Het eerste gesprek is altijd vrijblijvend en kosteloos.
Doorsturen van dit bericht is toegestaan, maar dan wel met bronvermelding: 073bedrijfsadvies.nl.
R&S Consult spant zich in om de inhoud van deze website en bovenstaand bericht zo actueel, juist en volledig mogelijk te houden. Desondanks is het mogelijk dat de inhoud gedateerd, onvolledig en/of onjuist is.
